Vrienden maken en houden? Zo makkelijk nog niet!

12 mei, 2015

Vriendschappen zijn voor veel jongeren vanzelfsprekend. Er zijn echter ook jongeren voor wie het maken en behouden van vrienden niet vanzelfsprekend gaat en een grote uitdaging vormt, zoals jongeren met autisme. Bij het maken en houden van vrienden spelen de motivatie en sociale vaardigheden die hier voor nodig zijn een belangrijke rol. Ondanks dat in Nederland veel sociale vaardigheidstrainingen aangeboden worden, bestaat er weinig wetenschappelijk bewijs van de effectiviteit van deze trainingen. Men vermoedt dat de effectiviteit van deze trainingen niet optimaal is. Problemen rondom generalisatie van de geleerde vaardigheden zouden een oorzaak hiervan kunnen zijn.

Vaardigheden voor het maken en houden van vrienden
Wanneer je, je verdiept in wat er allemaal komt kijken bij het maken en houden van vrienden, is het eigenlijk best bijzonder dat het bij zoveel mensen zo vanzelfsprekend gaat. Voordat je vrienden kunt maken moet je bijvoorbeeld weten hoe je leeftijdsgenoten benadert, hoe je een gesprek begint en hoe je jezelf kunt mengen in een gesprek. Dit alles moet je op een zo natuurlijk mogelijke manier doen, zodat je niet als ‘vreemd’ wordt gezien door leeftijdsgenoten, wat juist kan leiden tot afwijzing door leeftijdsgenoten. Na een eerste kennismaking moet je doorvragen, dieper ingaan op gemeenschappelijke interesses en regelmatig contact met elkaar opnemen. Als het gelukt is om een vriendschap te vormen, wordt je ook geacht de vriendschap te kunnen onderhouden. Hierbij komen ook nog allerlei vaardigheden kijken, zoals: hoe vaak spreek je met iemand af en hoe ga je om met bijvoorbeeld jaloezie, ruzie en onenigheid? Dit zijn maar enkele voorbeelden van stappen die voor veel mensen niet zo vanzelfsprekend zijn, waardoor het vrienden maken en houden voor hen erg ingewikkeld kan zijn.

Onwil of onmacht?
Er wordt vaak gedacht dat jongeren met autisme weinig geïnteresseerd zouden zijn in mensen (om zich heen) en weinig behoefte zouden hebben aan vriendschappen. Over het algemeen hebben jongeren met autisme minder wederkerige vriendschappen en zijn minder betrokken in sociale activiteiten zoals verenigingen en sportclubs. Toch blijkt uit de praktijk dat er bij een grote groep jongeren met autisme geen sprake is van onwil, maar van onmacht. Zij willen wel graag (meer) vriendschappen, maar weten niet goed hoe ze dat aan kunnen pakken.
Sommige jongeren blijven proberen om bij de groep te horen, maar missen de aansluiting bij de groep waardoor ze worden afgewezen of gepest. De kans om gepest te worden blijkt 7x groter te zijn wanneer een jongere een klinische diagnose heeft. Een andere groep jongeren trekt zich na mislukte pogingen om erbij te horen terug uit sociale situaties en richt zich vooral op zichzelf. Het is dus zeer relevant om jongeren die gemotiveerd zijn om vrienden te maken en houden, hierbij te ondersteunen. Het belang van vriendschappen blijkt uit wetenschappelijk onderzoek: het hebben van één of twee goede vrienden zorgt voor meer zelfvertrouwen, meer onafhankelijkheid, minder angst en depressie en voorspelt hoe goed je jezelf later in het leven kunt aanpassen aan veranderingen en stressvolle gebeurtenissen.

SoVa-trainingen
Sociale vaardigheidstrainingen (SoVa’s) vinden in de klinische praktijk veelal plaats om jongeren te ondersteunen bij hun sociale en communicatieve vaardigheden. Echter, er is weinig wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van de meeste van deze SoVa-trainingen. Vooral de lange termijn effecten zijn vaak teleurstellend. Waar komt dit door? De meest genoemde verklaring is de moeite met het generaliseren van de geleerde sociale vaardigheden naar de dagelijkse situaties van jongeren. Jongeren kunnen in de groepstraining de geleerde vaardigheden wel toepassen, maar buiten de training lijken die vaardigheden niet te helpen om vrienden te maken en houden. Een andere verklaring is dat we jongeren vaardigheden aanleren die moeilijk te generaliseren zijn.

Welke sociale vaardigheden zijn generaliseerbaar?
Voorbeeld:
Stel je eens voor dat een jongere moeite heeft om zichzelf in een gesprek te mengen. Veel volwassenen zullen als tip iets zeggen als: ‘Ach, loop gewoon op een groepje leeftijdsgenoten af en vertel iets dat je hebt meegemaakt, of maak een praatje over het weer of over de toets op school’. Stel je voor hoe dat eruit ziet: een groepje jongeren staat te praten over een film die ze gezien hebben. Plotseling komt er iemand aanlopen die midden in hun gesprek iets over een totaal ander onderwerp gaat vertellen. Vreemd, toch?

Met de juiste bedoelingen krijgen jongeren tips, maar zijn dit eigenlijk echt bruikbare tips? En wat zijn nu tips waar jongeren daadwerkelijk iets aan hebben? Hiervoor is het belangrijk te observeren wat jongeren die sociaal goed in de groep liggen doen, in bepaalde sociale situaties. Dit worden ook wel ‘ecologisch valide sociale vaardigheden’ genoemd.

Terug naar het voorbeeld:
Wat doen sociaal vaardige jongeren wanneer ze zich in een gesprek willen mengen? Kort samengevat: Zij kijken en luisteren eerst vanaf een afstandje om te bepalen waar het gesprek over gaat en of zij iets toe te voegen hebben hieraan. Wanneer ze iets aan het gesprek kunnen en willen bijdragen, komen ze wat dichterbij en maken ze af en toe oogcontact. Vervolgens wachten ze op een pauze in het gesprek en zeggen ze iets dat betrekking heeft tot het gespreksonderwerp.

Generalisatie naar het dagelijks leven
Er lijkt dus veel winst te behalen in het aanleren van ecologisch valide sociale vaardigheden. Om jongeren met autisme te helpen om deze vaardigheden zelf toe te kunnen passen, is het belangrijk om aan te sluiten bij hun leerstijl. Concrete stappenplannen, strategieën en regels kunnen hen helpen om sociale situaties, die vol zitten met ongeschreven regels, te overzien. Om de geleerde vaardigheden ook te generaliseren naar situaties buiten de training, zal er ook in verschillende milieus met de vaardigheden geoefend moeten worden. Huiswerkopdrachten lijken hiervoor de beste methode, maar daarbij is wel goede ondersteuning nodig. Omdat ouders ook na afloop van de training meestal betrokken blijven bij hun kind, kunnen zij leren hoe zij hun kind het beste kunnen ondersteunen bij de uitvoering van de huiswerkopdrachten. Last but not least, voor een geslaagde generalisatie van de vaardigheden zou ook niet vergeten moeten worden om gedurende de training actief op zoek te gaan naar geschikte plekken voor de jongere om potentiële vrienden te ontmoeten. Alleen wanneer de jongere de geleerde vaardigheden ook na de training in blijft zetten, zullen de succeservaringen toenemen. Dit zal de motivatie voor de jongere om vrienden te maken en houden alleen maar zal versterken.

PEERS
In Amerika is de PEERS-training ontwikkeld voor jongeren met autisme van 12-18 jaar die geïnteresseerd zijn in de manier waarop je vrienden maakt en vriendschappen onderhoudt. PEERS is de enige evidence-based sociale vaardigheidstraining waarbij ‘peers’ (leeftijdsgenoten) een belangrijke rol spelen. Uit onderzoek blijkt dat de interventie effect heeft én dat de resultaten 1 tot 5 jaar later nog steeds zichtbaar zijn. De resultaten laten o.a. zien dat jongeren na het volgen van de training meer kennis van sociale vaardigheden hebben, vaker met vrienden afspreken, assertiever zijn, meer empathie en zelfcontrole tonen en minder internaliserende en externaliserende problemen laten zien. Het Yulius Autisme Expertisecentrum werkt op dit moment aan een pilot van de Nederlandse vertaling van PEERS. Klik hier voor meer informatie over de PEERS-training in Nederland.

Over ons:
Gabrine Jagersma (onderzoeker/orthopedagoog), Kirsten Visser (promovenda/psycholoog) en Kirstin Greaves Lord (hoofd onderzoeks- en expertise programma autisme) zijn allen betrokken bij het Yulius Autisme Expertisecentrum (AEC). Dit is een kenniscentrum waar professionals hun kennis over diagnostiek, behandeling en begeleiding van mensen met autisme kunnen uitbreiden, ophalen en bijhouden.

Bronnen:

  • Buhrmester, D. (1990). Intimacy of friendship, interpersonal competence, and adjustment during preadolescence and adolescence. Child development, 61(4), 1101-1111.
  • Dekker, V., Nauta, M.H., Mulder, E.J., Timmerman, M.E., de Bildt, A. (2014). A randomized controlled study of a social skills training for preadolescent children with autism spectrum disorders: generalization of skills by training parents and teachers? BMC Psychiatry, 14, 189.
  • Laugeson, E. A., & Frankel, F. (2011). Social skills for teenagers with developmental and autism spectrum disorders: The PEERS treatment manual. Routledge.
  • Locke, J., Ishijima, E. H., Kasari, C., & London, N. (2010). Loneliness, friendship quality and the social networks of adolescents with high‐functioning autism in an inclusive school setting. Journal of Research in Special Educational Needs, 10(2), 74-81.
  • Mandelberg, J., Laugeson, E. A., Cunningham, T. D., Ellingsen, R., Bates, S., & Frankel, F. (2014). Long-term treatment outcomes for parent-assisted social skills training for adolescents with autism spectrum disorders: The UCLA PEERS program. Journal of Mental Health Research in Intellectual Disabilities, 7(1), 45-73.

Reacties zijn gesloten.