Tweetalig opvoeden: 1 + 1 = 2?

31 maart, 2015

Overal ter wereld groeien kinderen meertalig op. Soms omdat hun ouders tweetaligheid als een meerwaarde zien en daarom kiezen voor tweetalig onderwijs, maar vaak ook omdat thuis een andere taal wordt gesproken naast of in plaats van het Nederlands. Dat laatste geldt meestal voor (klein)kinderen van immigranten. Zij volgen onderwijs in het Nederlands en horen en spreken buitenshuis ook Nederlands, maar voor de ontwikkeling van hun thuistaal zijn ze vooral afhankelijk van het horen en spreken van deze taal binnenshuis. Welke rol speelt het gezin bij de taalontwikkeling van deze kinderen? Dat onderzochten wij bij peuters en kleuters van Turkse afkomst in Nederland.

Van alle kinderen in ons onderzoek waren beide ouders van Turkse afkomst; hun ouders of grootouders waren geboren in Turkije en verhuisd naar Nederland. De kinderen behoren dus tot de tweede of derde generatie immigranten. Mensen van Turkse afkomst ontlenen een deel van hun identiteit aan het spreken van de Turkse taal. In Nederland wordt Turks mede daarom nog opvallend vaak beheerst en gebruikt door latere generaties. Ook in ons onderzoek bleken alle kinderen Turkse woorden te kunnen begrijpen en deze receptieve woordenschat groeide naarmate de kinderen ouder werden.

In eerder onderzoek werden tweetalige kinderen vaak vergeleken met hun eentalige leeftijdgenoten. In een dergelijke vergelijking blijkt er vaak een achterstand te zijn in de Nederlandse taalontwikkeling van tweetalige kinderen. De vraag is echter of het wel terecht is om bij het vaststellen van een eventuele taalachterstand alleen op de beheersing van het Nederlands te focussen. Als ook de kennis van de thuistaal in ogenschouw wordt genomen zou de taalkennis van deze kinderen wel eens groter kunnen zijn dan eerder gedacht. In ons onderzoek vergeleken we kinderen van Turkse afkomst onderling en keken we naar aanbod, gebruik en vaardigheden in zowel het Turks als het Nederlands.

Tweetalig opvoeden

Om een taal te kunnen ontwikkelen, moeten kinderen aan die taal worden blootgesteld. Als kinderen een taal horen, kunnen zij uit dat taalaanbod de betekenis van woorden afleiden en hun taalkennis uitbreiden. In ons onderzoek vonden wij verschillen in het taalaanbod thuis. Moeders uit gezinnen met een opleidingsniveau en inkomen dat lager is dan gemiddeld spreken over het algemeen meer Turks met hun kinderen. Ook wordt er in deze gezinnen minder voorgelezen en zijn er minder kinderboeken beschikbaar dan in gezinnen met een hoger opleidingsniveau en inkomen. Verschillen in de beheersing van het Nederlands en in het bewustzijn over het belang van voorlezen, plus de stress die gepaard kan gaan met een minder gunstige sociaaleconomische situatie spelen hierbij mogelijk een rol. De sociaaleconomische status van het gezin kan zo invloed hebben op de taalontwikkeling van kinderen. Wanneer kinderen meer taal- en leesaanbod in een bepaalde taal ontvangen, hebben ze namelijk gemiddeld een grotere woordenschat in die taal.

Het gezin speelt dus een belangrijke rol in de tweetalige ontwikkeling. Het taalaanbod in het gezin staat echter niet los van het taalaanbod buitenshuis. Wij vonden in ons onderzoek ook dat moeders steeds meer Nederlands met hun peuters gaan spreken naarmate de kinderen ouder worden. Deze stijging is vooral duidelijk te zien als het kind net gestart is op een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal en als het gezin in een buurt woont met weinig niet-westerse immigranten. Het lijkt erop dat kinderen het Nederlands oppikken dat ze horen buitenshuis – op de peuterspeelzaal of in de buurt – en deze taal vervolgens mee naar huis nemen en hiermee hun moeders uitnodigen meer Nederlands met hen te gaan spreken.

Een tweetalige opvoeding blijkt niet zo eenvoudig als het lijkt. Het is niet zomaar een optelsom van twee delen – in dit geval Nederlands en Turks – maar het product van vele invloeden binnen en buiten het gezin.

Over de auteur:
Dr. Mariëlle Prevoo is postdoc onderzoeker bij het Centrum voor Gezinsstudies van de Universiteit Leiden. In november promoveerde zij op een onderzoek naar de rol van het gezin in de tweetalige ontwikkeling van kinderen met een migrantenachtergrond. Haar promotores waren prof. dr. Judi
Mesman en prof. dr. Marinus van IJzendoorn, co-promotor was dr. Maike Malda.

Bronnen:

  • Bedore, L. M., Peña, E. D., García, M., & Cortez, C. (2005). Conceptual versus monolingual scoring: When does it make a difference? Language, Speech, and Hearing Services in Schools, 36, 188-200.
  • Conger, R. D., & Donnellan, M. B. (2007). An interactionist perspective on the socioeconomic context of human development. Annual Review of Psychology, 58, 175-199.
  • Cornips, L., Van der Hoek, M., & Verwer, R. (2006). The acquisition of grammatical gender in bilingual child acquisition of Dutch (by older Moroccan and Turkish children): The definite determiner, attributive adjective and relative pronoun. Linguistics in the Netherlands, 23, 40-51.
  • Extra, G., & Yağmur, K. (2006). Immigrant minority languages at home and at school: A case study of the Netherlands. European Education, 38, 50-63.
  • Extra, G., & Yağmur, K. (2010). Language proficiency and socio-cultural orientation of Turkish and Moroccan youngsters in the Netherlands. Language and Education, 24, 117-132.
  • Hoff, E. (2006). How social contexts support and shape language development. Developmental Review, 26, 55-88.
  • Prevoo, M. J. L., Malda, M., Mesman, J., Emmen, R. A. G., Yeniad, N., Van IJzendoorn, M. H., & Linting, M. (2014). Predicting ethnic minority children’s vocabulary from socioeconomic status, home language and reading input: Different pathways for host and ethnic language. Journal of Child Language, 41, 963-984.
  • Prevoo, M. J. L., Mesman, J., Van IJzendoorn, M. H., & Pieper, S. (2011). Bilingual toddlers reap the language they sow: Ethnic minority toddlers’ childcare attendance increases maternal host language use. Journal of Multilingual and Multicultural Development, 32, 561-576.

Reacties zijn gesloten.