Prikkelgevoeligheid bij hoogbegaafde kinderen

28 april, 2015

Maar niet kunnen stoppen met denken. Nachten wakker liggen van de angst dat Ebola naar Nederland komt. Gek worden van een naadje in een kous, of een labeltje in de trui. Dramatisch reageren op het verdriet van anderen. Voortdurend wegdromen tijdens het werken. Hoe kan het dat hoogbegaafde kinderen soms heel prikkelgevoelig zijn?

De interesse in en kennis over hoogbegaafdheid zijn in de laatste decennia sterk gegroeid. Zo weten we inmiddels dat hoogbegaafdheid verder gaat dan alleen een ‘hoog IQ’. Om intellectuele aanleg te kunnen verzilveren zijn tevens andere niet-intellectuele vaardigheden van belang. Denk hierbij aan: motivatie, adequate leer-en werkstrategiëen en creativiteit in denken (buiten ‘de gebaande paden’ kunnen denken). Ook de omgeving speelt een belangrijke rol. Het kind heeft een onderwijs- en thuisomgeving nodig, die goed aansluit bij zijn niveau en mogelijkheden en waarbinnen een positieve houding is ten aanzien van de begaafdheid en leren.

Wat minder bekend is, is dat hoogbegaafden door hun specifieke combinatie van aanleg en vaardigheden heel ‘prikkelgevoelig’ kunnen zijn. Hoogbegaafden hebben vaak een bepaalde ‘intensiteit’ in hun karakter en een andere manier van verwerking van prikkels en informatie, dan gemiddeld denkende personen. Voor die andere manier van informatieverwerking kan de bron worden gevonden op breinniveau.

Prikkelgevoeligheid bij hoogbegaafde kinderen

Hoogbegaafde kinderen hebben, vergeleken met niet-hoogbegaafde kinderen, een snellere, diepere en meer efficiënte verwerking van nieuwe informatie in de hersenen. Hoogbegaafde kinderen bouwen rijke en complexe kennisrepresentaties (neurale netwerken) op. Nieuwe informatie kan hierdoor makkelijk worden ingevoegd in bestaande structuren/kennis en er wordt snel geleerd van eerdere ervaringen. Het gevolg van deze gestroomlijnde informatieverwerking is dat er veel informatie binnenkomt (ook irrelevante), dat informatie lang kan blijven ‘hangen’ en veel impact kan hebben. Bovendien blijven de hersenen steeds op zoek naar nieuwe stimulans, omdat de informatie zo snel verwerkt wordt.

Dit levert bij kinderen vaak een aantal ‘conflicten’ op:

  • Kinderen begrijpen vaak meer informatie op inhoudelijk niveau, dan dat zij emotioneel aankunnen. Ze missen de levenservaring om deze informatie te relativeren, of in een context te plaatsen;
  • Door de complexe neurale netwerken levert nieuwe informatie voortdurend associaties op met bestaande kennis en doordat er zó veel informatie in korte tijd verwerkt kan worden, is er voortdurende selectie nodig (welke informatie is belangrijk en welke niet?). Dit kost veel energie;
  • Doordat de hersenen voortdurend zoeken naar nieuwe stimulans, ontstaat er een precair evenwicht tussen ‘prikkels zoeken’ en ‘overprikkeld raken’.

Hun intense karakter en specifieke informatieverwerking maken het dat hoogbegaafde kinderen vaak minder stimulans nodig hebben om een bepaalde reactie op te roepen. Bovendien kunnen stimuli heftige en langdurige reacties geven. Deze ‘super stimuleerbaarheid’, of hoge prikkelgevoeligheid, wordt beschreven in de theorie van de Poolse psychiater Dabrowski, waarvoor inmiddels veel evidentie is. Hij beschrijft hierin dat prikkelgevoeligheden (‘overexcitabilities’) zich kunnen manifesteren op verschillende gebieden, te weten:

  • Psychomotorisch (veel innerlijke onrust en beweging nodig hebben);
  • Zintuiglijk / sensueel (sterk kunnen genieten van esthetiek en zintuiglijke waarnemingen, snelle geprikkeldheid van zintuigen, zoals de huid);
  • Intellectueel (onverzadigbare honger naar kennis, drang naar denken, theorie en analyse);
  • Imaginair (sterk verbeeldingsvermogen; dramatiseren, visualiseren, fantaseren, magisch denken);
  • Emotioneel (gevoeligheid voor de complexiteit en intensiteit van emoties; van zichzelf én anderen).

Volgens Dabrowski heeft ieder hoogbegaafd kind op één of meerdere gebieden een prikkelgevoeligheid, die in intensiteit kan variëren. De overexcitability die het vaakst wordt terug gezien bij hoogbegaafde kinderen is die op intellectueel gebied; een onverzadigbare honger naar kennis, maar blijven denken en daar ook niet mee kunnen stoppen. Kinderen omschrijven dit zélf vaak als ‘Mijn hoofd zit zo vol’, of ‘Het is zo druk in mijn hoofd’. Eén zinnetje uit een bericht op het Jeugdjournaal, kan hen op die manier dagen bezighouden.

Een andere overexcitability die vaak en makkelijk wordt herkend is die op emotioneel vlak. Deze uit zich bij kinderen in een heel hoge gevoeligheid voor emoties; van zichzelf én anderen. Bijvoorbeeld: heftig verdriet voelen wanneer een ander iets vervelends meemaakt, feilloos de sfeer, of spanning uit een omgeving overnemen, sterke gevoelens hebben bij herinneringen, extreem blij, boos, of bang reageren, of moeite hebben met afscheid nemen (niet alleen van mensen, maar ook van plaatsen, of dingen).

Deze prikkelgevoeligheden kunnen lastig zijn voor het kind en zijn omgeving en belemmerend zijn in het dagelijks functioneren. Anderzijds hebben deze tegelijkertijd ook veel positieve kanten, die als krachten kunnen worden ingezet. Bijvoorbeeld: kinderen wier gedachten voortdurend met hen aan de haal gaan, waardoor zij makkelijk zijn afgeleid en veel dagdromen (imaginaire prikkelgevoeligheid), zullen het moeilijk kunnen hebben in de klas. Echter, wanneer hun rijke verbeeldingskracht adequaat kan worden gekanaliseerd, kan dat tot geweldige producten leiden. Zoals Einstein al zei: ‘Imagination is more important than knowledge’.

De begeleiding van prikkelgevoelige, hoogbegaafde kinderen bestaat idealiter uit acceptatie en focus op de voordelen en positieve kanten; van moeilijkheden krachten maken. Tevens is het belangrijk deze kinderen te helpen bij het bewaken van het aantal prikkels dat zij toch zich krijgen. Hun behoefte aan prikkels is namelijk tegelijkertijd hun valkuil. Balans is hier de sleutel.

Over de auteur
Sonja Borgsteede is ontwikkelingspsycholoog, universitair ‘hoogbegaafdheidspecialist’ (ECHA-opleiding), eigenaar van praktijk Buro Bloei (voor begeleiding en diagnostiek van kinderen) en docent klinische ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Bronnen

  • Anderson, J.R. (1995). Learning and memory. An integrated approach. John Wiley & Sons, Inc.
  • Chang, J.C., & Kuo, C.C. (2013). Overexcitabilities: Empirical studies and application. Learning and Individual Differences 23, 53-63.
  • Gallagher, J.J. (2003). Issues and Challenges in the Education of Gifted Students. In: N. Colangelo & G. Davis (Eds.). Handbook of Gifted Education (3rd Ed., pp. 11-23), Boston: Pearson Education.
  • Jolles, J., Groot, R. de, Benthem, J. van, Dekkers, H., Glopper, C. de, Uijlings, H. & Wolff-Albers, A. (2006). Brain Lessons. Neuropsyc Publishers.
  • Patterson, D.W. (1996). Artificial neural networks. Theory and applications. Prentice-Hall, Englewood Cliffs, NJ.
  • Piechowski, M.M. (2003). Emotional and spiritual giftedness. In: N. Colangelo & G. Davis (Eds.). Handbook of Gifted Education (3rd Ed., pp. 403-416), Boston: Pearson Education.
  • Tucker, B. & Hafenstein, L. (1997). Psychological Intensities in Young Gifted Children. Gifted Child Quarterly, 41 (3), 66-75.
  • Webb, J.T. (1994). Nurturing the social emotional development of gifted children. Reston, VA: Council for Exceptional Children.

Reacties zijn gesloten.