Paardenbloem-kinderen en orchidee-kinderen

19 mei, 2015

Ieder kind is anders. Kinderen kunnen soms heel anders reageren op dezelfde situatie. Waar sommige kinderen zich dwars gaan gedragen wanneer ze bijvoorbeeld ineens de aandacht moeten delen met een broertje of zusje of wanneer ouders tijdelijk minder beschikbaar zijn door ziekte, lijken anderen in dezelfde situaties onverstoorbaar. In de wetenschap is er veel aandacht voor zulke verschillen in “kwetsbaarheid” tussen kinderen. Deze verschillen blijken deels bepaald te worden door aangeboren eigenschappen. Eén van de vragen die recentelijk is opgeworpen is: zijn sommige kinderen simpelweg meer kwetsbaar of zijn zij wellicht meer ontvankelijk voor de omgeving? En kan deze “kwetsbaarheid” hiermee in sommige situaties ook voordelig zijn voor kinderen?

Hoe kinderen zich ontwikkelen wordt deels bepaald door hun omgeving. We weten dat bepaalde eigenschappen van deze omgeving (bijvoorbeeld armoede, geweld, weinig positieve aandacht of toezicht thuis) een negatieve invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van kinderen. Echter lijken deze omgevingsfactoren voor sommige kinderen sterkere effecten te hebben dan voor anderen. Peuters met een “moeilijk temperament” reageren bijvoorbeeld meer dwars en opstandig wanneer hun ouders minder tijdig en adequaat reageren op hun signalen (ofwel minder sensitief zijn), dan peuters met een ander temperament. Vergelijkbare resultaten zijn gevonden met onderzoek naar genetische verschillen tussen kinderen. Sommige kinderen lijken hiermee een aangeboren kwetsbaarheid te bezitten voor negatieve omgevingsinvloeden (‘dual risk’, ofwel dubbel risico). Maar zijn deze kinderen inderdaad simpelweg meer kwetsbaar?

De Differentiële Ontvankelijkheidstheorie (‘Differential Susceptibility’)
Een alternatieve kijk op bovenbeschreven verschillen tussen kinderen is recentelijk geïntroduceerd door Prof. J. Belsky: de differentiële ontvankelijkheidstheorie . Deze theorie wordt vaak uitgelegd middels de metafoor “orchidee-kinderen” en “paardenbloem-kinderen”. Sommige kinderen zijn meer als paardenbloemen; zij zijn relatief veerkrachtig en in staat zich te ontwikkelen onder allerlei omstandigheden (net als de bloem). Andere kinderen zijn echter meer als orchideeën; zij zullen niet bloeien zonder de juiste zorg. Als een orchidee de benodigde zorg ontvangt zal het uitbloeien tot een mooie bloem—mooier nog dan een paardenbloem. Dit laatste zou betekenen dat de ontvankelijke kinderen ofwel de orchideeën, die relatief kwetsbaar zijn en lijden onder negatieve omgevingsinvloeden, ook relatief meer ontvankelijk zijn voor positieve omgevingsinvloeden en extra baat hebben bij een positieve omgeving (“meer ontvankelijk in voor- en tegenspoed” zou je kunnen zeggen).

Er wordt steeds meer bewijs gevonden voor deze theorie. Vergeleken met “de paardenbloemen”, blijken “orchideeën” erg opstandig of neerslachtig te worden wanneer zij opgroeien in armoede, wanneer hun ouders weinig sensitief zijn of wanneer zij blootgesteld worden aan geweld, maar tevens minder opstandig of zelfs socialer wanneer zij opgroeien onder betere omstandigheden. Recent onderzoek laat zien dat de orchideeën mogelijk ook meer baat hebben bij een extra steuntje in de rug dan andere kinderen. Onderzoek naar de effectiviteit van de oudercursus VIPP (Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting) liet zelfs zien dat de behandeling alleen een afname van dwars gedrag teweeg bracht bij meer ontvankelijke kinderen (orchideeën) en geen effect had op het gedrag van minder ontvankelijke kinderen (paardenbloemen).

Wat betekent dit voor de opvoeding in de dagelijkse praktijk?
Paardenbloem-kinderen lijken dus minder ontvankelijk voor hun omgeving dan orchidee-kinderen. Betekent dit dat we als opvoeders alle zorg en aandacht moeten richten op de orchideeën? En maakt het misschien helemaal niet uit hoe we omgaan met de paardenbloemen? Deze laatsten lijken immers ongevoelig voor wat er om hen heen gebeurt. Dit is natuurlijk wat kort door de bocht. Onderzoek laat niet zien dat kinderen simpelweg wel of niet ontvankelijk zijn voor hun omgeving, maar dat kinderen in meer of mindere mate ontvankelijk zijn voor bepaalde omgevingsinvloeden. Orchideeën en paardenbloemen verdienen daarom wellicht beide extra zorg en aandacht, maar onder verschillende omstandigheden. Orchideeën zijn relatief kwetsbaar wanneer zij opgroeien onder negatieve omstandigheden, maar hebben tevens veel baat bij extra zorg. Voor deze groep lijkt het daarom belangrijk om tijdig in te grijpen wanneer de omgeving even tekort schiet. We zouden daarom wellicht extra aandacht moeten hebben voor orchideeën binnen preventie van problemen. Paardenbloemen zijn relatief veerkrachtig wanneer zij opgroeien onder negatieve omstandigheden, maar -als er zich onverhoopt problemen in hun ontwikkeling voordoen- wellicht tevens minder ontvankelijk voor extra zorg. Zij hebben dan een extra zetje in de rug nodig, door bijvoorbeeld in te grijpen met een behandeling die aangepast is in intensiteit, duur of methodiek. We zouden daarom wellicht extra aandacht moeten hebben voor paardenbloemen binnen behandeling van problemen of achterstanden in ontwikkeling. Het bestempelen van kinderen als simpelweg kwetsbaar of juist veerkrachtig lijkt hiermee te ongenuanceerd en brengt het gevaar met zich mee dat de behoeften van kinderen over het hoofd worden gezien, juist in situaties waarin zij extra aandacht nodig hebben.

Over de auteur:
Joyce Weeland is orthopedagoog en gecertificeerd groupleader van de oudercursus Incredible Years. Als promovenda onderzoekt zij differentiële ontvankelijkheid voor opvoeding binnen de ontwikkeling van gedragsproblematiek bij jonge kinderen. Zij is verbonden aan de afdeling Pedagogiek en Onderwijskunde van de Universiteit van Amsterdam (Prof. Geertjan Overbeek) en de afdeling Ontwikkelingspsychologie van Universiteit Utrecht (Prof. Bram Orobio de Castro).

Bronnen:

  • Albert, D., Belsky, D. W., Crowley, D. M., Bates, J. E., Pettit, G. S., Lansford, J. E., … & Dodge, K. A. (2015). Developmental mediation of genetic variation in response to the Fast Track prevention program. Development and Psychopathology, 27 (01), 81-95.
  • Belsky, J., Bakermans-Kranenburg, M. J., & Van IJzendoorn, M. H. (2007). For better and for worse differential susceptibility to environmental influences. Current Directions in Psychological Science, 16 (6), 300-304.
  • Belsky, J., & van Ijzendoorn, M. H. (2015). What works for whom? Genetic moderation of intervention efficacy. Development and Psychopathology, 27 (01), 1-6.
  • Belsky, J., & Pluess, M. (2009). Beyond diathesis stress: differential susceptibility to environmental influences. Psychological bulletin, 135(6), 885-908.
  • Bakermans-Kranenburg, M. J., Van IJzendoorn, M. H., Pijlman, F. T., Mesman, J., & Juffer, F. (2008). Experimental evidence for differential susceptibility: dopamine D4 receptor polymorphism (DRD4 VNTR) moderates intervention effects on toddlers’ externalizing behavior in a randomized controlled trial. Developmental Psychology, 44 (1), 293-300.
  • Kegel, C. A., Bus, A. G., & van IJzendoorn, M. H. (2011). Differential susceptibility in early literacy instruction through computer games: the role of the dopamine D4 receptor gene (DRD4). Mind, Brain, and Education, 5 (2), 71-78.
  • Van Aken, C., Junger, M., Verhoeven, M., Van Aken, M. A. G., & Deković, M. (2007). The interactive effects of temperament and maternal parenting on toddlers’ externalizing behaviours. Infant and Child Development, 16(5), 553-572.

Reacties zijn gesloten.