Méér dan een beetje verlegen

09 maart, 2015

Iedereen is wel eens verlegen. Dat is heel normaal. Ook vinden de meeste mensen het spannend om in een onbekende sociale situatie te zijn of om in het middelpunt van de belangstelling te staan, bijvoorbeeld bij een presentatie. Klamme handen, een verhoogde hartslag, een blos op de wangen bij het spreken voor een groep: het zijn normale en gezonde reacties die vaak vanzelf over gaan. Maar wat als die spanning verder gaat dan ‘gezonde’ spanning?

Bij ongeveer 5% van de Nederlanders is de angst om in een sociale situatie te zijn zó groot dat hun leven erdoor belemmerd wordt. Ze lijden aan een sociale angststoornis, een psychiatrisch erkend ziektebeeld. Mensen met deze stoornis zijn intens bang om negatief beoordeeld te worden door de mensen om hen heen. Gedachten als ‘ze zullen me wel stom vinden’ en ‘het valt ontzettend op dat ik bloos en daarom lachen ze me vast uit’ spelen door hun hoofd.

Feestjes zijn voor hen geen feest; vergaderingen zijn een beproeving; een spreekbeurt is een kwelling. Het liefst vermijden ze sociale situaties. Is dat niet mogelijk, dan zien ze er huizenhoog tegen op en als het eenmaal zover is doorstaan ze die met extreme angst. Na afloop zijn ze niet opgelucht. Integendeel, het gevoel dat ze bij anderen een negatieve indruk hebben achtergelaten is alleen maar sterker geworden. Zo ontstaat een negatieve spiraal die moeilijk te doorbreken is en ingrijpende gevolgen heeft. Mensen met een sociale angststoornis hebben minder vaak een partner en gezin, zijn vaker werkloos of werken onder hun niveau. Ook lijden ze meer dan gemiddeld aan een depressie of alcoholverslaving. Een sociale angststoornis heeft dus ernstige gevolgen.

“Als hij er alleen maar aan denkt voelt hij de spanning al in zijn hele lijf: morgen een presentatie voor de hele klas! Alle ogen op hem gericht, vreselijk. Ze zullen z’n spreekbeurt vast stom vinden. En hij weet nu al dat hij gaat blozen en stotteren van de spanning. Dat gebeurde de vorige keer toen hij voor de klas stond namelijk ook. En hij gaat vast ook vreselijk zweten, zo gênant. Het liefst zou hij thuis blijven en de hele spreekbeurt overslaan. Maar ja, het moet…

Kort geleden vertelde zijn moeder dat ze het vroeger ook vreselijk vond om een spreekbeurt te houden. Toen ze na de middelbare school een opleiding ging volgen waarbij ze vaak moest presenteren was ze zo angstig dat ze die opleiding heeft afgebroken. Ze koos een vak waarbij ze meer op de achtergrond kon werken en doet dat werk nog steeds. Liefst draait ze avond- en nachtdiensten, zodat ze zo min mogelijk mensen ziet. Hij heeft het dus niet van een vreemde.”

In de familie
Sociale angst komt niet willekeurig voor. Patiënten met een sociale angststoornis hebben vaak familieleden die ook symptomen van de aandoening hebben. ‘Het zit in de familie’, wordt wel gezegd, ‘het is een familietrekje’. Wetenschappelijk onderzoek ondersteunt dit gezichtspunt. Studies hebben aangetoond dat kinderen van ouders met een sociale angststoornis vijf keer vaker dan gemiddeld last hebben van sociale angst. Deze resultaten
wijzen erop dat sociale angst in ieder geval deels veroorzaakt wordt door erfelijkheid: kinderen erven via hun vader of moeder bepaalde genen die hen kwetsbaar maken om zelf ook een sociale angststoornis te ontwikkelen. Deze gedachte over het ontstaan van sociale angst wordt ondersteund door resultaten van tweelingonderzoek. Dat laat zien dat erfelijkheid voor ongeveer 20 tot 50 % bijdraagt aan sociale angst.

Van genen tot sociale angst
Er zijn dus aanwijzingen dat bepaalde variaties in het DNA leiden tot een gevoeligheid voor sociale angst. Het is echter niet eenvoudig om te ontdekken welke genen hierin een rol spelen. Dat heeft twee belangrijke redenen. Allereerst is sociale angststoornis een breed ziektebeeld dat zich
op verschillende manieren kan uiten. Sommige patienten vinden spreken in het openbaar ontzettend lastig, terwijl anderen vooral angstig zijn wanneer ze moeten eten of drinken in gezelschap. In beide gevallen is er angst voor een negatieve beoordeling, maar de situaties verschillen duidelijk. Aan de andere kant is het niet zo dat één enkel gen zorgt voor het ontstaan van sociale angst. Integendeel, bij een complex ziektebeeld als sociale angststoornis spelen kleine variaties in meerdere genen een rol. Die variaties werken op hun beurt weer op elkaar in, zodat een ingewikkeld patroon van veranderingen ontstaat. Hierdoor is het lastig om juist díe genen te ontdekken (een mens heeft er ongeveer 25.000!) die leiden tot een kwets-
baarheid voor sociale angst. Van genen tot gedrag is een grote stap.

Een kijkje in het brein
Om toch meer inzicht te krijgen in de genen die een rol spelen in het ontstaan en in stand houden van sociale angststoornis is een tussenstap nodig: een kijkje nemen in het brein van patiënten met een sociale angststoornis. Het is namelijk aannemelijk dat de variaties in genen die betrokken zijn bij sociale angst leiden tot veranderingen in de structuur en functie van de hersenen. Op hun beurt kunnen deze veranderingen bijdragen aan een verhoogde kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van sociale angststoornis en leiden tot de symptomen van de ziekte in gedrag en gevoel (zie figuur). MRI-onderzoek is bij uitstek geschikt om zowel de opbouw als de functie van het brein te Onderzoeken. Door MRI-scans van mensen met en zonder sociale angststoornis met elkaar te vergelijken is het mogelijk vast te stellen waarin het brein van sociaal-angstige mensen verschilt. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat een bepaald deel van het brein van sociale-angst patiënten (de zogenaamde ‘amandelkern’) extra sterk reageert op gezichten. Bij mensen zonder sociale angststoornis is ook hersenactiviteit te zien wanneer zij naar neutrale gezichten kijken, maar al na een halve minuut neemt de activiteit af. Het brein beoordeelt de gezichten als ‘niet interessant’ en besluit er geen energie meer in te steken. Zo werkt hetniet bij mensen met een sociale angststoornis. Hun brein blijft ‘op scherp’ staan telkens wanneer zij een neutraal gezicht voorbij zien komen. Deze overdreven alertheid kan verklaren waarom sociaal-angstige mensen zich slecht op hun gemak voelen in gezelschap.

Familie-onderzoek naar sociale angst
MRI-scans leveren informatie op over de structuur en functie van het brein van sociaal-angstige mensen, maar de link met veranderingen in het DNA is hiermee nog niet gelegd. Daarvoor is nog een stap nodig: onderzoeken of de afwijkende kenmerken in het brein van sociaal-angstige personen erfelijk bepaald zijn. In de zoektocht naar genen die betrokken zijn bij sociale angst is dit een cruciale stap: wanneer een brein-kenmerk niet erfelijk bepaald is, maar bijvoorbeeld het gevolg is van het langdurig lijden aan de ziekte of het slikken van medicijnen, is de zoektocht naar veranderingen in het DNA bij voorbaat zinloos.

Onderzoekers van de Universiteit Leiden en het LUMC zijn daarom bezig met een uniek familie-onderzoek naar sociale angst. In dit onderzoek worden niet alleen mensen met een sociale angststoornis onderzocht, maar ook hun partners, kinderen en broers en zussen met hun partners en kinderen. Op deze manier is het mogelijk om te bepalen of de afwijkende kenmerken in het brein van sociale-angst patiënten erfelijk zijn. De verwachting is dat een kenmerk met een genetische basis vaker voorkomt bij familieleden die genetisch gezien nauw gerelateerd zijn aan de patiënt en minder bij familieleden die minder genen met de patiënt delen. Kinderen delen bijvoorbeeld de helft van hun genen met hun vader of moeder, terwijl neefjes en nichtjes slechts een kwart van hun genen gemeenschappelijk hebben met hun oom of tante. Een erfelijk bepaald kenmerk zal dus het meest voorkomen bij de patiënt zelf, iets minder bij zijn of haar kinderen, nog minder bij de neefjes en nichtjes en afwezig zijn bij de aangetrouwde partners binnen de familie.

Belang van onderzoek
Door op deze manier binnen families te kijken naar het vóórkomen van kenmerken van sociale angst in het brein is het mogelijk om meer inzicht te krijgen in de manier waarop variaties in genen leiden tot sociaal-angstig gedrag. Deze kennis is van groot belang om in de toekomst behandelingen te kunnen ontwikkelen die het ontstaan van een sociale angststoornis kunnen verhinderen. Met een beetje verlegenheid is niets mis, maar een sociale angststoornis is een aandoening die het leven van hen die eraan lijden ernstig belemmert. Familie-onderzoek naar de ziekte is daarom van groot belang.

Sociale angst
Van genen tot sociale angst … – Sociale angst wordt deels bepaald door variaties in de genen (het DNA). Dat werkt als volgt:variaties in het DNA leiden tot meetbare veranderingen in de functie en structuur van het brein. Deze afwijkingen verhogen de kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van een sociale angststoornis.
… en van sociale angst tot genen  Door te onderzoeken welke afwijkende breinkenmerken in sociaal-angstige personen en hun familieleden aanwezig zijn wordt het makkelijker om te bepalen welke genen een rol spelen in het ontstaan van sociale angst.

Over de auteur:
Janna Marie Bas-Hoogendam is sinds 2013 werkzaam als promovenda bij de afdeling Ontwikkelings- en Onderwijspsychologie (Universiteit Leiden) en de afdeling Psychiatrie van het LUMC, onder begeleiding van prof. dr. Michiel Westenberg, prof. dr. Nic van der Wee en dr. Henk van Steenbergen. Haar onderzoek richt zich op het in kaart brengen van endofenotypes (erfelijke kenmerken) van sociale-angststoornis. Daarbij maakt zij gebruik van MRI-scans. Meer informatie over dit onderzoek is te vinden op de Facebookpagina

Bronnen:

  • Glahn, D. C., Thompson, P. M., & Blangero, J. (2007). Neuroimaging endophenotypes: strategies for finding genes influencing brain structure and function. Human Brain Mapping, 28(6), 488–501.
  • Middeldorp, C. M., Birley, A. J., Cath, D. C., Gillespie, N. A., Willemsen, G., Statham, D. J., … Boomsma, D. I. (2005). Familial clustering of major depression and anxiety disorders in Australian and Dutch twins and siblings. Twin Research and Human Genetics : The Official Journal of the International Society for Twin Studies, 8(6), 609–615.
  • Schwartz, C.E., Wright, C.I., Shin, L.M., Kagan, J., & Rauch, S.L., (2003). Inhibited and uninhibited infants “grown up”: adult amygdalar response to novelty. Science, 300, 1952–1953. 
  • Stein, M. B., Chartier, M. J., Hazen, A. L., Kozak, M. V., Tancer, M. E., Lander, S., … Walker, J. R. (1998). A Direct-Interview Family Study of Generalized Social Phobia. American Journal of Psychiatry, 155(1), 90–97.

Reacties zijn gesloten.